op 
Vandaag bezocht ik mijn oma. Ik ben niet zo goed in het onderhouden van familiecontacten dus ik had haar al sinds de zomer niet gezien. Via mijn moeder kreeg ik in de tussentijd updates: als ze was gevallen, als ze moest worden ingezwachteld, als ze ruzie had met de thuiszorg, wat ze zou gaan doen met kerst. Toen ik zeventien was nam ze de hele familie (een overbepakte, kettingrokende, platbrabantse pratende crew met videocamera en géén idee van negen man sterk) mee op een rondreis door California. Toen ik haar vertelde dat ik deze zomer weer zou gaan begonnen haar ogen te glimmen.
Tot zes maanden terug kwam oma iedere vrijdag bij mijn ouders eten: biefstuk met sla en friet. Maar nu kan ze het stuk naar mijn ouders niet meer lopen en met de rolstoel opgehaald worden wil ze niet. Onder luid protest brengen mijn ouders iedere vrijdag een bordje langs.
‘Echt te veel moeite,’ klaagde ze.
‘Maar dat is toch leuk? Het is uw lievelingseten!’ zei ik verbaasd.
‘Ja, ok, dat wel.’ Einde gemor.
Ik kreeg een uitgebreid verslag van alle medische perikelen van het afgelopen half jaar. Ze had zeker veertien specialisten gezien (‘de longarts, de uroloog, de hepatoloog, de cardioloog, de uhhh drama… nee dermatoloog’) en haar gezondheid ging nog steeds achteruit sinds ze niet meer iedere dag ging werken.
Mijn oma is misschien wel de hardstwerkende vrouw op het noordelijk halfrond. Tot haar 85ste stond ze iedere werkdag in de winkel van mijn ouders, knelfittingen verkopend aan klussers en roddels uitwisselend met de postbode. Van alles en iedereen was ze op de hoogte.
Maar ze mist het niet, zegt ze. Afgelopen week kwamen er op één dag wel zeven mensen op bezoek, dan is ze aan het eind van de dag helemaal opgebrand.
‘Vooral de benauwdheid, Kim, die is zo rot,’ roept ze uit. Ze kan nog prima vertellen voor iemand met weinig adem. Maar ze is er ook duidelijk over: als het zo moet dan hoeft het voor haar niet te lang meer te duren.
‘Ik was een van de eerste leden van de Vereniging voor Euthanasie, hoor,’ zegt ze trots, ‘die bestaat pas dertig jaar.’
Over ondraaglijk en uitzichtloos lijden begin ik maar even niet.
‘Ik hou me vast aan de humor. Toen ik laatst bij de dokter was vroeg hij waar ik voor kwam. “Nou, of u iets aan die benauwdheid kunt doen. Of de Pil van Drion, als u die heeft,” zei ik. Hij reageerde heel verbaasd.’
In San Francisco zag ik oma voor het eerst van mijn leven huilen, toen ze niet meer als vanzelfsprekend de steile heuvels opliep en wij maar bleven vragen of we haar op onze rug moesten dragen – als grapje bedoeld. Maar daar hebben we het niet over. In Amerika zagen we de Grand Canyon, bezochten we Las Vegas, raakten we eeuwenoude sequoia’s aan, reden we door de woestijn van Death Valley en deden we een miljoen andere dingen die ik me niet meer herinner – ik ben nu twee keer zo oud. Het is leven of dood voor mijn oma. Niet iets er tussenin.