op 
Niets anders doen, geen afwas, niks opvouwen, niet wwilfen, helemaal niets anders dan heel intens luisteren naar een nummer (laat staan een hele cd) lukt mij haast nooit meer. Je hebt er afzondering voor nodig, of misschien toewijding, die bij een jong gezin niet makkelijk te vinden is. We hebben sinds kort een vrij goed, portable boxje dat aan gaat met ons gezins-spotify-account (zo gaat dat). Vond ik vroeger de muzieksectie van het betere damesblad nog een lachertje, tegenwoordig schrijf ik soms zo’n in drie regels gerecenseerd bandje op om later terug te luisteren. Meestal raakt zo’n briefje zoek en vind ik het later hergebruikt als boodschappenlijst; bio-eitjes, geitenmelk, biobimspeltpap, jacco gardner, venkelworstje.Op een doordeweekse dag hoor ik op dat boxje dan beat overstemd door kookgeluiden, flarden tekst waar een peuter doorheen gilt (‘BAL. Bal. Bal balbalbal.’) iets wat een refrein kan zijn wat de buren blijken te zijn, als ik eindelijk zit ben ik blij als het even stil is. Soms, als ik een goeie bui heb, wat 16e-eeuwse gitaarmuziek, daar lees ik ook goed op.
Mijn guilty pleasure (fuck guilty,) zijn de putumayu wereldwinkelmuziek-mixtapes, en omdat de bibliotheek van Ermelo 10 cd’s voor een 10-tje verkocht luisterde ik dit nummer vandaag, heel hard, want ik had geen oordoppen bij me. Vusi Mahlasela, zo lieflijk smekend, zo teder voor zijn gitaar. De jaren ’80 Sesamstraat mondharmonica laat me dansen, onhandig schud ik rond. Het had een duet kunnen zijn, maar hij zingt het alleen. Misschien voor zijn geliefde, misschien voor de liefde in het algemeen. Een baby kirt tevreden op de achtergrond, het is zo’n gemoedelijk geheel dat ik er wel van kan huilen. Het hoort te kraken, deze versie is te perfect, misschien moet het ruisen van bladeren eroverheen, of het gekletter van afwas. It pulls my heartstrings man, zoals ze dat zeggen, zonder dat ik er een woord van versta.