Elinor op maandag

Ik heb het makkelijkst hanteerbare soort haar dat je als mens kan hebben. Een beetje dunnig stijl haar, de kleur van nat zand in natuurlijke staat maar nu een paar tinten lichter met wat speelse blonde plukken erdoor. Nauwelijks hoeft het gekamd te worden want klitten vallen er niet snel in. Het moet om fris te ogen om de 3/4 dagen – met maar een klein beetje shampoo, een noot, nootje – gewassen worden. Van conditioner wordt het zijde-achtig en daar krijg ik de kriebels van, dus de fles die ik bij de kapper toch altijd aangesmeerd krijg staat een jaar of wat onaangeroerd in de badkamer tot ik hem aan een toevallig aanwezige vriendin kan geven op een proactief moment. ‘Makkelijk’ haar is natuurlijk iets relatiefs, het ligt er maar net aan wat je ermee wilt. Vanzelfsprekend heb ik altijd krullen gewild. Rode. Van die pre-Rafaelitische lokken die als een waterval over mijn rug vallen en waar ik verleidelijk aan zou kunnen draaien om gratis toetjes te krijgen bij de Italiaan. Dat ik telkens weg moet steken omdat het anders zo charmant warrig voor mijn gezicht waait. Waaraan ik mijn garderobe geheel heb aangepast. Waar ik zó een vlammende ananas mee op m’n hoofd kan bouwen. Of twee dansende vlechten, zo breed als m’n pols. Gescout worden door Benneton, dat werk.
Maar goed, het haar dat ik in deze dimensie heb, mijn eigen scherensliepershondenhaar kan echt keigoed slap hangen en gezien het aantal stijltangen dat bij de Blokker wordt verkocht is dat kennelijk iets gewilds. Mijn bescheiden dos is het eigenlijk niet waard een modelletje in te scharen. Ik kan kiezen tussen bot knippen of in laagjes. De twee keer per jaar dat ik naar de kapper ga wissel ik dat af. Een paar radicale kapsels heb ik geprobeerd de afgelopen jaren van vuurtoren rode bob tot borstelig blond ragebolletje. Maar uiteindelijk val ik altijd terug op net over de schouder. M’n pony, of zijlok is er net uitgegroeid waardoor de volle lengte van mijn voorhoofd goed zichtbaar is. Zo begin ik deze week.

« vorige - volgende »