op 
Esperanto wordt gesproken door 2 miljoen mensen wereldwijd. Er zijn allerlei verenigingen voor, zowel nationaal als internationaal, waarvan de leden samenkomen op congressen om – naar ik aanneem – Esperanto met elkaar te spreken. Een taal is een wereldtaal als die de geografische grenzen van een taalgebied ontstijgt, als die de officiële taal is van een land waar het niemands moedertaal is (eigenlijk bizar en bangmakend kolonialistisch als je hier langer over nadenkt), als instituties de taal gebruiken als voertaal, als veel mensen de taal beheersen als tweede taal. Volgens de Verenigde Naties zijn Engels, Chinees, Duits, Frans, Russisch, Arabisch en Spaans wereldtalen. Geen daarvan is mijn moedertaal, ik spreek slechts een van deze talen goed, en van de rest heb ik geen kaas gegeten. Ik vind aujourd’hui wel een heel mooi woord.
Chinees, of – preciezer – Mandarijn, wordt door 1,3 miljard mensen gesproken. Een. Komma. Drie. Als je daar iets langer over nadenkt weet je dat China daarmee een enorme macht in handen heeft. Het Esperanto probeert machtsverhoudingen die overgebracht worden door taal te vermijden. De taal is politiek neutraal. Als je in Esperanto met elkaar spreekt ben je automatisch gelijkwaardig. Ik vind het een fascinerend idee, er zijn inmiddels zelfs mensen die het Esperanto als moedertaal hebben. Hun ouders hebben dus gedacht: deze taal wil ik dat mijn kind spreekt. Dat is meestal geen bewuste keuze natuurlijk. Je praat nou eenmaal hoe je praat tegen je kind. Behalve dan dat je je inhoudt met vloeken (wordt voor mij een opgave). En dat kind neemt de talige tradities in zijn of haar familie automatisch over. (Wist je dat je de talen die je voor je zesde leert vloeiend spreekt? Daarna is het veel moeilijker een taal vloeiend leren te beheersen. Andersom werkt het ook: als je voor je zesde niet aan taal wordt blootgesteld zul je dus geen moedertaal hebben.)
Ik ben opgegroeid in West-Brabant, mijn ouders spreken niet echt een dialect, maar hebben een sterk plat accent: een mengelmoes van Zeeuws, Vlaams en Brabants. Als ik een weekend thuis ben geweest lacht mijn vriend me uit. Dan heb ik het weer terug. Een aantal jaar geleden verbouwde ik mijn huis, of in ieder geval, mijn vaders bedrijf deed dat. Ik ken de werknemers van mijn vader al mijn leven lang, dat maakte het tegelijkertijd gemakkelijker en ongemakkelijker. In een van de muren in het huis bleek onder de voorgeplakte gipswand een grote scheur te zitten. Daar kon niet zomaar overheen gestuct worden. ‘Dat lossen we op met in de leemhut,’ zei een van de mannen. In de leemhut. In de leemhut? Ik durfde niet te vragen wat het was, dus knikte maar braaf. ‘Fijn als dat kan.’
Dat weekend bij mijn ouders thuis, tijdens het eten, vroeg ik het mij vader: ‘Pa, wat is in de leemhut?’
Hij keek op. ‘Wat?’
‘In de leemhut.’
Mijn vader dacht even na. Underlayment was het woord dat ik zocht. Bleek. Een week zonder Engels is gewoon niet te doen.