Elinor op vrijdag

Mijn ouders wonen diep in Zuid-Limburg (het glooit ja, het golft, het piekt hier en daar grillig) in een dorpje, de rijksweg af, dat je met één keer teveel knipperen voorbij rijdt. Je mobi verwelkomt je wat voorbarig in België, de huizen hebben rolluiken. Hun huis staat in de bocht van een sterk afdalend straatje, ooit een smalle gracht. Het oogt Frans door al het mergel dat nazomers strijklicht imiteert, de buxussen hebben gevaarlijk scherpe hoeken. Het straatje loopt dood in een nogal weelderig bos waar de mensen uit het dorp die wat kleinere tuinen hebben hun honden uitlaten en pelgrims met enige regelmaat in de poep trappen. De moderne pelgrim loopt op schoenen uit de Beversport met stevige profielzolen. Naast het bescheiden kruis aan het bospad – waar regelmatig kaarsjes omheen branden zonder dat we dat ooit iemand zien doen – hangt een bordje: ‘Pelgrimeren is lopend stilstaan.’ Zo is dat.

(M’n vader blijft maar liedjes draaien uit vroeger tijden, The Archies, Roy Orbison – dat werk, op z’n iphone waar hij ostentatief mee zwaait, heel irritant, zodat wij ook moeten meegenieten en hierdoor kom ik nu helemaal niet toe aan waar ik eigenlijk over wilde schrijven namelijk dat we in dat bos een nieuwe buurman ontmoetten. Dat dus morgen.)

« vorige - volgende »