op 
2. Mijn grote neef, die tijdelijk wegens niet nader omschreven omstandigheden in het kleinste kamertje van mijn tantes Georgian stadspaleis (vier huizen naast het Dickens Museum) woonde, waar hij dag-in-dag-uit rollies zat te roken – in een computerstoel waar twee wieltjes van misten – las mijn brief. Zijn haarloze gezicht staat altijd wat ontevreden, dat was nu niet anders. Sowieso moet je er eigenlijk niet naast gaan zitten als iemand iets van je leest. Het is een onderschikte positie waar je je onwillekeurig aan overgeeft. Mijn neef leerde me een hoop over Londen, bijvoorbeeld dat de pub om de hoek van The Royal Mail stiekem wel open bleef na 11 uur omdat de eigenaar, een voormalig postbode, vond dat zijn ex-collega’s, na een dag voorsorteren, toch ergens terecht moesten kunnen. En waar de Jerusalem Tavern zat. En welke pub vanaf de bar de beste zichtlijnen voor live uitgezonden foottie had. En welke de beste Scotch Egg. Maar ook: welke pubs nu fookkin’ winebars waren geworden.
Ik vertelde hem dat ik het niet zo goed wist, wat ik wilde. Hij aste in de bovenste la van zijn bureautje. Het was echt heel aardig van hem dat hij niets zei over de inhoud van mijn brief. Wat hij wel zei, ik zal het nooit vergeten, hij zei: ‘Je Engels is beter dan het Engels van veel Engelsen.’ Ik zag mezelf al over de campus huppelen. Drie dagen later dacht ik,:ja mijn Polynesisch is ook beter dan het Polynesisch van sommige Polynezen.