Elinor op dinsdag

De fietsrij: ik ben op tijd maar niet zó op tijd dat ik rustig aan kan doen. Dat ik me bij de bravere burgers in de fietsrij moet begeven heeft niets te maken met mijn milder wordende aard. Maar door het kinderzitje met windscherm voorop pas ik niet meer tussen de studentenkrotten of ondeugender Zuid-As medewerkers.
Vlak voor het invoegen word ik ingehaald. Ik kijk niet want oogcontact lokt communicatie uit, misschien zelfs verbale. Ik zie uit m’n ooghoek soapsterren haar, nikies met felle accenten flitsen onder een donker groene plissérok en, verdomd, zo’n vleeskleurige panty die tegenwoordig weer schijnen te kunnen. Ik ben blij dat ik vanochtend in het donker een shirt op de grond vond zonder vlekken en 2 gelijke schoenen (ik heb tenslotte een belangrijke afspraak vanmiddag). Of heeft ze echt zulke Ibiza-bruine-benen? Godallemachtig tandpasta op mijn kraag. Dit moet ik de kop indrukken, hoor ik mezelf denken. En ik manoeuvreer mijn fiets naast de hare, ik was tenslotte eerder, we staan nu schouder aan schouder, nou ja die van haar op soapsterrenhoogte die van mij ter hoogte van haar puntige elleboog.
Voor mij staat een dame met een mand met plastic bloemen voorop en een Fransman ook een zestiger, die de soapie straks een aanzienlijke voorsprong kan geven, hij is immers een Fransman en zal wellicht niet alleen de bloemenmand maar ook de Lieke van Lexmond Look-a-like voorrang geven, dat weet ik wel zeker. Galantie die twee fietslengtes zal duren en mij gebaseerd op de wet van de remmende voorsprong en gezond verstand zal buitensluiten. Buitensluiten van een plek dichterbij de uitgang van de kelder van de fietsgarage, verder van de trein en verder van mijn bestemming. Ik voer het tempo op, mijn voorwiel raakt het achterwiel van de belachelijke Fransoos met zijn streeptrui en zijn denkbeeldige baguette. Ha! Een moeder met kind moet aan de andere kant van de rij zijn dus moet de collone tijdelijk inhouden. Ik doe net of ik ze op het laatste moment pas zie en zet mijn fiets hoffelijk schuin, mezelf luidruchtig verexcuserend en zo de soapie schuinachter mij dwingend. Ik lach de moeder begrijpend toe, ze ziet mijn zitje en knikt naar de peuter aan haar hand. Het jongetje draagt een keurige blauwe blazer met een donkergroen ingenaaid embleem en hij moet toch ergens een piepklein gestreept dasje hebben verstopt ik kijk hem na. Huh! Een demarrage! Het wiel van de voordringster nu halverwege dat van de fransoos en ik constateer gewillig contact tussen beiden, ze maakt gebruik van het oogverblindende effect dat de omslagtechniek en de witte blondheid van haar zijdezachte lokken. Ergens zijn de fransoos en de Corakempermanvrouw van plek gewisseld, ik had niet opgelet hoe stom kon ik zijn. Cora heeft haar Heester van Eeghen Tas inmiddels in haar mand gezet en rommelt er vreugdeloos in. Dit is een kans, ik voel het in mijn hele lijf. Cora heeft haar portemonnee vergeten en maakt balend aanstalten om uit de rij te stappen, de soapie veegt een pluis van haar airmex en ik rits haar volledig uit de strijd, de fransoos kijkt om maar de roltrap komt dichterbij, de rij krimpt van drie rijen dik naar een enkele fiets voor hem dus hij moet zich concentreren op de afdaling, het hades van rijwielen in. Ze heeft verloren, de bimbo, en ze weet het, ze zal een dure koffie moeten mislopen om de trein te kunnen halen. Ik ontspan mijn schouder en kijk wat om me heen. Opeens verschijnt er een piepklein mannetje met een vouwfiets uit het niets, mag ik even?, vraagt hij, en hij laat zichzelf en nog kleiner vrouwtje met een nog kleiner vouwfietsje voor mij gaan.

« vorige - volgende »