Elinor op maandag

Hoe reclame werkt. Ze zit elegant, op het oncomfortabele af, de verzorgde vrouw, haar nagels glanzend, lego-mannetjes coupe. Haar koffie (fair trade met bio melk, maar geen koekje) wacht dampend tot zij een slokje neemt zonder te morsen. Voor haar ligt de nog gevouwen krant. Het is een sereen moment, er druipt luxe van de stilte af. Ze werkt niet of heeft een ochtend vrij, wie weet. Nee, toch een ochtend vrij, ze is in control, deze sterke vrouw met vroege carrièrevlucht. We zijn getuige van een zorgvuldig ingebouwd rustmoment. Ze heeft de tijd genomen zich op te maken, haar broek te strijken. Er schijnt een makke zon, de vitrage bolt zacht op, dat werk. Ze verkeert in haast meetbare balans. Vlak nadat de foto is genomen, zal ze dat slokje nemen, de tabloid openslaan, de voorpagina scannen, een of twee pagina’s omslaan en hem weer dicht doen. Haar hand schikt een lok haar die niet loszit, ze staat op, kijkt om zich heen en springt dan als een schoonspringster door de gordijnen van vijf hoog naar beneden.

Tijdens mijn vakantie wil ik niets liever dan negeren dat de wereld draait. Eenmaal terug, kan ik nog tijden niet meedoen. Alsof de ondertiteling in het gebied rond het koffiezetapparaat is weggevallen. Mijn gezicht gaat als vanzelf wat ernstiger staan bij het horen van steekwoorden die ik niet met elkaar in verband kan brengen. Ik snel naar mijn computer en lijk toegewijder dan ooit. Het is een vorm van zelfbehoud natuurlijk. Want ik kan geen vliegtuigen vangen en geen kinderen boetseren. Afgelopen zaterdag ontmoette ik een man die op een zekere dag in 1987 op de voorpagina van de krant te vinden was. Hij had zijn auto volledig in de prak gereden en was er zo plat als een dubbeltje uitgekomen, bijna ieder bot in zijn lichaam was gebroken. En nog, al die jaren later, is hij er niet zeker van of hij toen niet beter had kunnen sterven. Hij is gebroken en onlijmbaar. Hij vertelde het zo kort en zakelijk als een dronken man dat kan. Misschien was het omdat er niets aan hem te zien viel behalve dan het licht trekken van zijn been als hij een biertje ging halen. Misschien dacht hij dat de mensen die hij zijn verhaal vertelde alsnog een beeld moesten hebben. Iets tastbaarders dan zijn woord. En heel misschien was het een perverse claim to fame, een bestaans-reminder. Hoe dan ook, in het borstvakje van zijn blouse zat een visitekaartjeshouder waaruit hij een piepkleine geplastificeerde zwart-witfoto viste van de inderdaad bijna als zodanig onherkenbare auto. Het moment op film gevangen zodat het waarheid werd en nog regenbestendig ook. Hij zei: draai maar om, en daar lag hij, meer dood dan levend. We bewonderden de foto op plechtige wijze, het was op de een of andere manier een heldendaad, daar zo te liggen, al zag hij dat zelf absoluut niet zo. En als hij het niet had overleefd was het natuurlijk een ander verhaal.

Een collega van mij heeft onlangs een zeer ernstig ongeluk gehad, de gevolgen voor haar lichaam, haar leven, zijn niet te overzien. Het was dicht bij mijn huis gebeurd en ik had de behoefte te weten hoe. Het lokale nieuws gaf een grotesk verslag, met telefoonfilmpjes en bloedvlekfoto’s verzameld bij omstanders. Een zorgvuldigheid die ze beter kunnen bewaren voor gebruikelijke verslaggeving. Op haar kwetsbaarste lag ze daar, voor iedereen om zich aan te vergapen. Vlug klikte ik het weg. Het waarom opeens van onderschikt belang aan het feit zelf. En ik schaam me vreselijk, want ik heb haar nog steeds geen kaart gestuurd.

« vorige - volgende »