op 
Ik fiets een van de mooiste pleinen van Amsterdam op – waar ik momenteel twee ochtenden per week bij een uitgeverij te vinden ben. Op het Amstelveldje heerst een on-Centrums soort rust, waardoor je wat makkelijker door de tijd reist. Met geloken ogen sta je ferm met beide benen in de Gouden Eeuw. Er worden kolen rond als de maan verkocht, het ruikt naar teer en gerookte paling. Kinderen met hoepels en klossen gaan opzij voor een paard dat een wagen volgeladen met graan en aardappels trekt waarvan het tuig nodig ingevet moet worden. Maar het geluid van mollige dienstmeisjes die matten uit voorkamers kloppen blijkt al snel van één of andere belegen Gouden Bocht boy en z’n matig geïnteresseerde kickbokstrainer te komen.
Natuurlijk erger ik me. Waarom eigent hij zich mijn plein toe, met z’n gepuf en z’n doffe slagen. Zou hij zich niet een beetje schamen? Met z’n aanmatigende gehups en gehijg. Dat zal toch wel. Misschien moet hij dit, zo openbaar, van zijn trainer, als onderdeel van het regime, maar zou hij veel liever veilig in de warme sportschool staan? Of is die trainer een statussymbool, waarmee hij aan zijn buren laat zien: kijk hier ben ik, en dit, dit is mijn gladiator, ik noem hem Decimus of Septimus of Justus ook al heet hij eigenlijk Pierre.
Justus doet het voor het geld. Liever waste hij het bloed van de vijand van zijn uitgetelde beschermeling. Die het de volgende ronde wel ruimschoots goed zou maken.
Ik vind het flauw van mezelf. Het Vondelpark staat er vol mee, de trainers en hun pappige boksballetjes, ze sparren het liefst bij speeltuinen. Daar word ik territoriaal van. Weg met je fanatisme en je ballonhandschoenen, er willen kinderen spelen en tijdreizen ja.