op 
Er trekt een man door Amsterdam die met de zon meedraait. Hij verschijnt waar de eerste stralen op het natte gras vallen: een uithoek van het Flevopark – want dat nieuwe land op het water dat is geen Amsterdam, de papieren grenzen zijn hem om het even. Hij sloft zachtjes, zijn mand op wielen rolt gewillig met hem mee, houdt hem aan de grond als het waait. Hij heeft de kleuren van een pauw en kijkt soms of het circus hem heeft achtergelaten. Hij staat altijd een beetje scheef naar voren, zo staat zijn as nou eenmaal ten op zichte van de wereld, maar het dwingt hem vooruit. Hij trek van park naar groenstrook. Dan eens bovenlangs door het gat van het hek bij Nut en Genoegen dan weer onderlangs door de geheime binnentuin van Zuid. De Eendracht of Westgaarde kunnen zijn eindeplaats zijn, de ‘urban uiterwaarden,’ hij lacht erbij. Als je mazzel hebt kom je hem tegen, groet hem, gooi een muntje in de lucht, kop: zet je fiets aan de kant en haal drie keer diep adem, wacht tot hij uit zicht is, munt: geef hem de centjes, zeg dat je genoten hebt van de leeuwen en de asmatische olifanten. Stap weer op, zeg de zon gedag, laat je bel flink rinkelen en zet je reis voort.