Kim op woensdag

Vandaag heb ik gespijbeld. Ik heb de fiets gepakt. Ooo-ho, poh-poh-poh! In Nijmegen pak je niet zomaar de bus. Er zijn geen metro’s en geen trams. Je komt nergens zonder fiets. Ja, lopend, maar het regende en ik moest aan de andere kant van de stad zijn. Als ik een auto heb, doe ik alles met de auto, maar dat gaat op een gegeven moment ook vervelen. Je moet betalen voor het parkeren, je moet altijd nadenken over drankge(mis)bruik, en dan moet je vaak nog een eind door weer en wind (eerst op en neer naar de parkeerautomaat waar je vervolgens ook staat te vernikkelen want de parkeerautomaten in Nijmegen, dat is echt een wereld an sich) omdat er natuurlijk weer geen plek dichtbij was waar je gewoon recht vooruit in kon steken (ik noem mijn auto meestal ‘de overdekte brommer’, maar inparkeren lukt me nog steeds niet). De fiets is heilig.
’s Avonds kwam L. eten. Toen de fles wijn op was besloten we nog even de kroeg in te gaan, naar het eindfeestje van een poëziefestival waarvan we het programma compleet gemist hadden. Ik zei: ‘Ik mag eigenlijk niet met de fiets.’ ‘Mag je wel achterop? Dat ik fiets?’
Dat hebben we gedaan. ‘Ga je er dan wel over schrijven?’ vroeg L.
Ik ging natuurlijk voor één biertje, maar dronk er vier, of vijf. Het feest was stom, maar er waren leuke mensen, dus we vermaakten ons prima. Toen ik mezelf na uitbundig afscheid eindelijk buitengeworpen had, werd ik bijna gelukkig van de aanblik van mijn stalen ros daar in de fietsenstalling en het idee dat hij me binnen 10 minuten naar huis, bed en slaap zou brengen. En daar gingen we. Ik verdween als een ridder galopperend in de nacht.

« vorige - volgende »