op 
Ik was de ochtendstress-ruzie nog aan het overdenken. Het ging over walvissen en plastic zakjes die om de voor mij (lief hoor) gesmeerde broodjes waren getrokken en of onze dochter zou opgroeien in een post-nucleaire urban experience in plaats van onder wapperende bomen (je moet toch wat in de krap 40 minuten die je s’ochtens hebt). Ik werd afgeleid door het Arische hoofd van de bal tegenover me. Een prachtexemplaar: zijn schoenen; glimmende Van Bommels met nubuck hiel, zijn broek; een doffe glans in het diepe universum-blauw, het kwaliteitsklokje om de pols, dikke blonde lokken in een golvende slag, van die roze lippen waar je aan wil voelen, hoge jukbeenderen, een thermisch regenjasje, nergens een schilfer, vlek of rafel. Genen van oud geld. Zijn symmetrische hoofd (gulden gezichtsverhoudingen en korenblauwe ogen geloken) stak een flink stuk boven de stoel uit, zijn gespierde benen weggevouwen. Hij is de 1 meter 87 centimeter lange natte droom van menig Gooise schoonmoeder in spé. Jong genoeg om nog te kunnen studeren maar te professioneel gekleed, zeggen mijn Sherlock-deductiekrachten. Zijn nog rechten studerende volgelingen, met hun rollende R-ren dragen juist met nauwelijks verhulde trots afgekloven Nikes als symbolen van hun vrolijk soort financieel lijden, quirky gebreide mutsen en ironische T-shirts onder hun blazers. Hij gunde me geen blik waardig, ik ben zijn type niet. Mijn vormloze regenjas, oude bril, afbladderende nagellak, gebrek aan make-up, geen 24 meer en een slecht geëxecuteerde sex-appeal zo voor 9 uur ’s ochtens, deed hem niks. Zo clean cut was deze held van onberispelijkheid dat ik me afvroeg in welke fabriek ze dit model maakten toen ik werd afgeleid door het flubbertje aan de neus van de dame recht tegenover me. ‘Goe-de-mor-gen, goe-de-mor-gen, goe-de-mor-gen,’ zei de conducteur blikkerig over de speakers, deed hij een stemcomputer na? ‘WELLkom op LEIden CENtraal meisjesenjongens damesvolk en herens.’ Deed hij nu auditie als omroeper bij de Kermis? Het parfum van het fris ogende meisje dat instapte deed denken aan een bos bijna uitgebloeide lelies die om verdrietige redenen in de Jamin was gezet. Ik pakte het boek weer op dat ik vanochtend mee had genomen, de groezelige Lolita, een verantwoorde keuze, op straat gevonden, deze pocket filmeditie uit de vorige eeuw, 1997, en sloeg bladzijde 6 nogmaals open op; het tweede deel van het voorwoord. Ik merkte dat ik me een beetje geneerde, het uitdagende rood van de letters die fel afstaken op het ooit maagdelijk wit van de rest van de omslag, het liggende meisje zich duidelijk bewust van de op haar gerichte ogen van de dame voor me, toen ik zag dat het flubbertje niet meer aan haar neus zat. In een fractie van een seconde had ik, kennelijk, gedacht: ‘Dat is een wildvleesje,’ maar nu was het weg, dus moest het iets anders zijn. Waar was het flubbertje nu? Ik onderzocht de plooien van haar broek, de zakken die iets bolden, de licht verkleurde rits die ze net had dichtgedaan. De armleuning en toen haar vingers. Ik voelde me een beetje een viezerik. The caretakers of the various symmetries involved report that no ghosts walk, las ik toen ik werd afgeleid door het woord symmetries. Hoezo symmetries, dat slaat nergens op. Ik las het opnieuw en zag dat het woord niet symmetries maar cemeteries was. Mooie zin, dacht ik toen ik opeens moest niezen. Ik nies nogal hard. Luidruchtig en krachtig, als ik dat niet doe is het zeer onbevredigend en het kan me inmiddels niet meer schelen dat andere mensen denken dat het een ‘shownies’ is. Ik liet het boek op mijn schoot vallen en sloeg beide handen voor mijn mond. Het geluid, de paringsroep van een droogstaande wolf, is er niets bij. Een klein gelukje als je geen kledders aan de binnenkant van je hand krijgt. Het is bijna onmogelijk om te doen alsof dat niet het geval is en dan te bedenken waar je die kledder laat – ik ben ook niet het type dat zakdoekjes op zak heeft. Zo snel mogelijk doen alsof er niets aan de hand (…) is, mompelend met een knikje bedanken voor het geschrokken ‘Gezondheid.’ en weer verdergaan in je eigen forenzenbubbel is over het algemeen de beste tactiek. Pagina 6 weer oppakkend zag ik hem zitten, de fluim der fluimen, een forse nog levende Zeelandse oester, in een reflex sloeg ik de pocket dicht. De dame zonder flubbertje was haar iphone alweer ingezogen maar het gezicht van de smetloze Übermensch had een uitdrukking vergelijkbaar met die op de gezichten van vliegtuigrampgetuigen. Ik gaf hem een knipoog terwijl de trein het station binnen rolde.