Elinor op zaterdag

‘En waar woont dit knappe mannetje?’, vroeg m’n moeder aan de onaards grote Hovawart, ze keek hem doordringend aan. ‘Boven aan de berg,’ zei z’n baas. Het laatste bruine huis was het. We stonden met z’n vijven op een kluitje een beetje naar hem te kijken. Ze waren van een afstand al indrukwekkend, man en hond, een ritmisch wandelend zwart gat. Het bos leek ze niet aan te kunnen. Het baasje was lang (wij zijn allemaal kort), hij was geheel in het zwart gekleed, had een soulpatch, een baret en zeer puntige cowboylaarzen die voor de wandeling gepoetst waren, een zijden sjaaltje met wapperende slurfjes. Hij was blij om te horen dat er nog meer Engelsen in het dorp waren komen wonen, hij had het al gehoord van Wiel. Het derde gezin nu, was het soms een soort enclave? Behalve internationale allure gaf het ook de geur van bacon in het weekend. Hij zei het alsof hij Engelsen voor ontbijt at. Ja, hij hield van Engelsen en Engeland en schreef ook Engelse liedjes voor de fanfare. Hij had er hitjes mee in Oostenrijk. ‘En woont hij hier al lang?’, vroeg m’n moeder voorzichtig, terwijl ze de canis lupus itinera over het hoofd aaide, ze keek z’n baasje maar niet aan. Hij woonde hier met z’n vriendin. Z’n vrouw was vorig jaar overleden, maar hij kende z’n vriendin al eerder hoor, dan z’n vrouw. Het werd een beetje stil, we hoorden de vogeltjes weer. ‘En waarom zijn jullie dan uit Engeland gekomen?’ Hij gebaarde met zijn handen ter verduidelijking. Ik weet niet zeker of hij een vliegtuig of een boot nadeed. ‘M’n man was dol op kaas’, zei m’n moeder, we lachten met onze tanden. M’n vader haalde z’n schouders op. ‘En wanneer is hij dan gekomen?’ vroeg hij met z’n aangenaam zachte g, hij wees op m’n vader. ‘Euh.’ ‘Mist hij Engeland niet erg?’ M’n vaders accent is nogal sterk ook al woont hij hier al dertig jaar. ‘Als hij Engeland mist doet hij gewoon een extra scheutje melk in z’n thee, hè?’ zei m’n moeder en ze goot onzichtbare melk in een onzichtbaar kopje.

« vorige - volgende »