op 
Op 26 juni 2016 stopte ik met roken. Ik sloot een pact met een vriendin: we zouden het samen doen, kondigden het niet al te groots aan en spraken af dat wie weer als eerste begon de ander moest trakteren op een etentje. Bij echt een heel duur restaurant. Twee weken later was er een borrel. De borrel werd een dansfeestje. De vriendin en ik stalen een pakje sigaretten en een aansteker en gingen stiekem op de stoep zitten roken. We werden betrapt maar beloofden elkaar beterschap. En toen begon de zomer echt. Overal waar ik was zag ik rokende mensen, met een biertje, in de zon. Ik kon geen normaal gesprek meer voeren, ik kon alleen nog maar kijken naar alle rokende mensen. Langzaam kreeg mijn hoofd schijt, en dat van mijn vriendin ook. Eentje dan, dat kon echt geen kwaad en dan morgen niet, maar de dag erop misschien weer wel. Vriendin gaf het op: ze kocht een nieuw pakje van haar lievelingsmerk en zette het weer op een paffen. Maar ik niet. Iedere dag probeerde ik het opnieuw. Zo gebeurde het dat ik feestjesroker werd.
En van feestjesroker werd ik drankroker en van drankroker werd ik gezelligheidsroker. En soms nam ik een biertje aan het eind van de dag zodat ik daar een sigaret bij mocht roken. Ach man, het is toch winst, zei ik tegen mezelf, ik rook maximaal 2 sigaretten op een dag. Maar wel iedere dag. En ik zei nog steeds dat ik gestopt was. Jaja! Jaja.
Steeds meer mensen om mij heen stopten de afgelopen maanden met roken. In september deed ik een tweede serieuze poging en die slaagde al honderd keer beter. Ik ben nu wat je noemt een uitzonderingsroker. Af en toe moet je je hoofd gewoon toestaan om schijt te hebben. Is toch allemaal winst.