op 
Toen mijn moeder drie jaar geleden ernstig ziek was en in het ziekenhuis lag vond ik het ontzettend ingewikkeld om weg te gaan uit het ziekenhuis. Zodra je buiten kwam merkte je dat de wereld door ging. De bussen reden gewoon. Mensen moesten naar hun werk, kwamen er weer van thuis en namen een biertje. Het liefst bleef ik naast mijn moeders bed zitten, in die misselijkmakende bubbel. Die was tenminste gewoon alleen van mij.
Het meeste nieuws staat niet in de krant.
D. vertelde me een keer over een ontmoeting met een jonge acteur die in de krant zocht naar overlijdensadvertenties van mensen met dezelfde leeftijd als hij. Die knipte hij dan uit en bewaarde hij. Hoewel me dat een beetje ver gaat, vind ik de pagina met de doden wel interessant. Ik kijk altijd. Bij mensen geboren vanaf de jaren 50 wordt het serieus: dat hadden mijn ouders kunnen zijn. Alles daarvoor scan ik vluchtig, alles daarna wordt alleen maar erger. Blijft er familie achter? Kindernamen (zoons en dochters heten doorgaans niet Corrie, of Sjors)? Staat er in de begeleidende (vaak poëtische) tekst iets over de achtergrond? Ziekte? Een ongeluk?
Het is me niet zozeer om het voyeurisme te doen (al ben ik natuurlijk wel een smerige gluurder op dat moment), ik probeer me dat leed voor te stellen. Dat die mensen zich de voorgaande dagen bezig hebben gehouden met het opmaken van de advertentie, de tekst, het versturen van de kaarten. Het regelen van de afscheidsceremonie. Vrienden, familie, kennissen, buren en collega’s op de hoogte stellen. En dan dat zwarte gat erna. Spullen opruimen. Een ander leven beginnen, dat inrichten.
Ik heb me ontzettend vaak voorgesteld wat ik zou doen als mijn moeder het niet overleefd had. Wat ik zou zeggen tijdens de dienst, hoe ik mijn zusje zou troosten en mijn vader erna zou helpen met opruimen thuis. Maar het ergste bleef toch dat niemand er iets van zou weten, niemand datzelfde zou voelen. Iedereen zou gewoon doorgaan met leven.