op 
Mijn zusje is doodsbang voor honden. Voor alle dieren, maar zeker voor honden. Dat hebben honden altijd haarfijn door, dus komen ze altijd vol enthousiasme op haar afrennen. Dat zorgde in ieder geval vroeger altijd voor verschrikkelijke paniek. Ik snap het ergens wel. Wij zijn niet opgegroeid met dieren, wat ze onbetrouwbaar maakt. We zijn allebei ook niet zo goed met autoriteit nemen.
Ze is ook bang voor haar eigen kat. Ik ben zo dol op Taksi dat ik me steeds opnieuw vergis in zijn nagels. Ik houd ook erg van stoeien. Taksi niet. Toch word ik maar niet bang. Ik probeer het altijd weer opnieuw, pest hem met eten tot hij uithaalt, kietel op zijn buik tot hij gaat schoppen, dans met hem door de kamer tot hij zich uit mijn handen klauwt. Ik ben denk ik eigenlijk te onrustig voor een kat. Mijn zusje te bang en te paniekerig.
Huisgenoot D. is de kalmte zelve. Dat vinden katten fijn. Als Taksi na het eten de kamer inloopt roep ik het altijd meteen kloppend op mijn bovenbenen uit: jaaaa Taksi, kom maar hier, kom maar, kommaar, kommarrrrrrrrrr Taaaaaaaaaksi, TAKS. Taksi is daar niet van onder de indruk, en bekijkt even rustig zijn opties: de vensterbank, het mandje, de zitting van een keukenstoel, DE SCHOOT VAN D. Het wordt altijd het laatste. Ik behoor niet eens tot de opties. Het is eigenlijk gewoon niet mijn kat, maar die van D.