op 
Mijn fietssleutels liggen sinds vorige week vrijdag onder in een liftschacht te wachten tot de monteur van Otis de jaarlijkse controle komt uitvoeren ergens in juni 2015. Mijn fiets staat eenzaam, nat en ongebruikt in een tuin in Amsterdam. Sindskort heb ik een klus in Den Haag dus reis ik nu extra veel met het openbaar vervoer. Eerst had dat iets vakantie-achtigs, kwamen de ergernissen van doorgewinterde forensen mij nogal exotisch voor. Een dikke maand en behoorlijk wat reisuren verder snap ik ze wel.
Als kind vond ik het altijd wat armoedig als schoolgenootjes met het OV kwamen (ik was een beetje een verwend meisje). Ik woonde dicht genoeg bij school om te fietsen. De eerste keer dat ik alleen met de tram ging kwam ik met m’n tientje op zak niet uit in het shopwalhalla van mijn dromen (De Stad), maar in Osdorp met zijn Scapino’s en kebabzaakjes. Mijn moeder lachte me hartelijk uit. Ik ben in mijn jeugd dus niet gehard tegen de sleur van de OV-reis en kan het nog steeds niet onverschillig ondergaan. Het OV-vee kijkt me met dooie ogen aan. Daarnaast, mijn ouders reden, rijden nog steeds, veel. Allebei een auto midden in de stad (inmiddels verruild voor het platteland). Ik ga later dit jaar werken aan mijn rijbewijs.
Het ligt niet in mijn aard, het is zó passief: je wacht, je wordt beregend, je rookt mee. Echt (sorry Kim) het is zo smerig om andermans ochtendsigaret te moeten herbeleven. Helemaal als het kankerstokje (dat mag ik zeggen sinds ik niet meer rook, nou soms een paar trekjes na de wijn) al op is en de penetrante geur van jas, handen en aura afstoomt. Het allerergste is de stinkende mond van iemand die je niet kent. GADVERREDAMME. Stinkzwam met je asfaltkanus! Zo, klaar nu. Niet vergeten uit te checken.