Kim op dinsdag

Ik vind die honden nogal spits. Ze lijken me zenuwachtig, met van die trillende spiertjes. Ik ga al zitten wippen met mijn voet als ik er nog maar aan dénk. Zo’n springend mormel dat de hele tijd heen en weer rent als je opstaat en per ongeluk naar de riem kijkt, dat tegen je opspringt het moment dat je de deur opentrekt als je zeiknat van die ene stortbui thuiskomt na een veel te lange werkdag  (oh the joy), dat bij gebrek aan speeltje aan je nieuwe sneakers begint als je die in de woonkamer laat slingeren, die IEDERE DAG drie keer moet lopen. Ook als je een kater hebt.

Taksi vertrekt nog geen spier als ik de ’s ochtends de woonkamer binnenkom, loopt eerder verveeld weg om op een stoel onder tafel te gaan liggen als ik opgewekt babbelend de gordijnen open en de zon op zijn mand laat schijnen. Ik probeer wel met hem te spelen, maar dat loopt altijd op ruzie uit (er zit een absoluut maximum aan hoe lang ik de buik kan kietelen). Van Het Spel Met Het Rode Lasertje is hij nooit langer dan zes minuten onder de indruk. Wat hij dan nog niet gevangen heeft laat hij gaan – wat een ster. Aluminiumfolie heeft geen enkele aantrekkingskracht op hem. Zelfs ándere spelende katten verbazen hem. Volgens mij speelt hij hard to get, maar dat maakt hem voor mij alleen maar aantrekkelijker. Het is gewoon veel fijner om een dier als huisgenoot te hebben waartegen je opkijkt, die zich opstelt als way out of your league, dan een die koste wat kost je aller-aller-állerbeste vriend wil zijn. Of is dat heel calvinistisch van me?

« vorige - volgende »